Lexence

Herziening wetgeving trustkantoren

8 juni 2016 – Op 2 mei 2016 is de internetconsultatie gestart voor de nieuwe Wet toezicht trustkantoren 2018. Het concept wetsvoorstel stelt een verdergaande regulering van trustkantoren voor. Dit is vooral op het gebied van de normen waar trustkantoren aan moeten voldoen. Daarnaast worden ook de handhavingsbevoegdheden van de toezichthouder uitgebreid. Wat er gaat veranderen met dit wetsvoorstel is samengevat door Charles Destrée en Bas Zandvliet.

Expertise Financiering
Leestijd 5 min leestijd
Waarom een nieuwe regeling?

De herziening van de Wet toezicht trustkantoren is in grote mate ingegeven door het inzicht vanuit de praktijk en door de gewijzigde internationale en Europese kaders zoals de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (“FATF”) en de vierde anti-witwasrichtlijn. De Nederlandsche Bank (“DNB”) concludeerde in haar onderzoeken dat trustkantoren onder andere de integriteitsrisico’s niet voldoende beheersen of anderszins tekortschieten in hun bedrijfsvoering. Verder concludeerde DNB ook dat trustkantoren onvoldoende toezicht en controle hielden op de herkomst en de bestemming van gelden. De huidige Wet toezicht trustkantoren (“WTT”) biedt volgens DNB onvoldoende mogelijkheden om de stap naar professionalisering van de sector te zetten en dus is een nieuwe wet voorgesteld.

Belangrijkste wijzigingen

Het concept wetsvoorstel brengt enkele belangrijke wijzigingen met zich mee. Deze wijzigingen hebben tot doel de integriteit van de financiële markt te bevorderen. Dit wordt bereikt door de volgende concrete wijzigingen:

1. Poortwachterfunctie

Evenals andere financiële ondernemingen wordt ook van trustkantoren verwacht dat zij zich opstellen als poortwachters van het financiële stelsel. Dit betekent dat trustkantoren een resultaatsverplichting moeten leveren om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van het financiële stelsel, voornamelijk op het gebied van witwassen en financiering van terrorisme. Trustkantoren moeten hun bedrijfsvoering zo inrichten dat misbruik snel gesignaleerd kan worden. Verder wordt ook van trustkantoren verwacht dat zij strijdigheden met de Nederlandse en buitenlandse wetten en gedrag in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid signaleren en aanpakken.

2. Aansluiting bij Wft

Om de poortwachterfunctie praktisch te kunnen uitvoeren is een deel van de wijzigingen in de WTT technisch van aard. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de regels op het gebied van integere en beheerste bedrijfsuitoefening in de Wet op het financieel toezicht (“Wft”). De gedachte hierachter is dat een kantoor dat zelf integer en beheerst is meer geneigd zal zijn alleen beheerste en integere klanten aan te nemen. De integriteit van zowel de cliënt als van het kantoor staat centraal. De Wft is echter niet op alle punten gevolgd in verband met de bijzonderheden in de regulering van trustkantoren.

3. Twee dagelijks beleidsbepalers

Om een beheerste en integere bedrijfsvoering te kunnen waarborgen wordt voorgesteld om een tweehoofdige dagelijkse leiding verplicht te stellen. Dit concept wordt ook wel het vier-ogen principe genoemd en heeft als doel het waarborgen van de continuïteit en de kwaliteit van de dienstverlening en bedrijfsvoering. DNB constateerde dat er een verhoogd risico was op niet-naleving van de wetgeving met een eenhoofdige dagelijkse leiding. Deze regel geldt overigens al voor banken en verzekeraars op basis van de Wft.

4. Zwaarder cliëntonderzoek

Als tweede onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering moeten trustkantoren een zwaarder cliëntonderzoek verrichten. Als poortwachter van het financieel stelsel wordt van trustkantoren verwacht dat zij meer informatie van cliënten controleren en verzamelen teneinde misbruik te voorkomen. Hiervoor geldt een resultaatsverplichting. Elk aspect van het cliëntenonderzoek moet tot een wettelijk bepaald resultaat kunnen leiden en de verzochte informatie moet met zekerheid worden vastgesteld. Als een bepaald aspect niet met zekerheid kan worden vastgesteld, dan moet het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid overeenkomen met de waarheid in absolute zin. Het cliëntonderzoek is uitgebreider dan het cliëntonderzoek dat in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (“Wwft” ) is opgenomen.

Het cliëntonderzoek omvat in ieder geval de volgende aspecten:
a) Doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie.
b) Identificatie en verificatie van de identiteit van de cliënt aan de hand van adequate en onafhankelijke bronnen.
c) Identificatie van de uiteindelijke belanghebbende van de cliënt.
d) Eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt en doelvennootschap (relateert onder andere aan punt c).
e) Vertegenwoordiger van de cliënt.
f) Anti-stroman bepaling, oftewel treedt cliënt voor zichzelf op of voor een ander?
(relateert onder andere aan punt c).

5. Grondslag: verbod op bepaalde diensten

Als aan de hand van het cliëntonderzoek bepaalde aspecten niet goed gecontroleerd kunnen worden en daardoor integriteitsrisico’s ontstaan, is het verboden bepaalde diensten te leveren in aan te wijzen omstandigheden. Deze omstandigheden zijn bijvoorbeeld als de uiteindelijke belanghebbende niet goed vastgesteld kan worden. Daarnaast mogen diensten aan bepaalde structuren ook niet meer worden geleverd.
Hierbij moet met name worden gedacht aan structuren die gericht zijn op het bewaren van de anonimiteit van de uiteindelijke belanghebbende. Dit wordt later nader uitgewerkt in lagere regelgeving.

6. Verbod op bepaalde structuren

Het wetsvoorstel introduceert nu de mogelijkheid om het adviseren van bepaalde (fiscale) structuren te verbieden om te voorkomen dat uiteindelijke belanghebbenden in de anonimiteit blijven.

7. Introductie van het beroepsverbod

Met dit wetsvoorstel wordt ook een beroepsverbod geïntroduceerd. Dit verbod kan worden opgelegd aan een ieder werkzaam in de sector. Degene aan wie het verbod is opgelegd mag geen soortgelijke functies bij andere financiële instellingen uitoefenen. De overtreder heeft dus tijdens het verbod een beperkte mogelijkheid om in de financiële sector aan het werk te gaan. Het beroepsverbod wordt in beginsel voor een bepaalde tijd opgelegd. Mocht de overtreder al eerder zijn gestraft voor zijn daden, dan kan het beroepsverbod voor onbepaalde tijd worden opgelegd.

8. Uitbreiding gronden voor vergunning intrekking

De huidige Wtt geeft enkele gronden aan waarop DNB mag besluiten de vergunning in te trekken. Deze gronden zijn nu uitgebreid en nader gespecificeerd. Op basis van één van de huidige gronden vindt intrekking plaats als de vergunninghouder blijvend niet voldoet aan de verplichtingen krachtens de Wtt. Hieraan is toegevoegd dat de vergunninghouder ook blijvend moet voldoen aan de verplichtingen uit de Sanctiewet 1977 en de Wwft. Ook kan de vergunning worden ingetrokken als de vergunninghouder weigert bedragen te betalen op basis van de Wet bekostiging financieel toezicht.

9. Uitbreiding toezichtinstrumentarium

Tenslotte wordt ook het toezichtinstrumentarium van DNB uitgebreid. Europese regelgeving stelt het verplicht om het instrumentarium uit te breiden met onder andere de publicatie van formele maatregelen. Ook hiervoor wordt aansluiting gezocht bij de Wft. Verder wordt nog in een specifieke regeling voorzien voor het verstrekken van informatie aan andere toezichtautoriteiten. Dit was voorheen al geregeld in de Wtt, maar volgens de wetgever komen er te weinig meldingen binnen over bijvoorbeeld terrorisme financiering of witwassen. Om dit probleem aan te pakken wordt de informatie-uitwisseling tussen de toezichthouders bevorderd.

Conclusie

Het wetsvoorstel bevat verschillende maatregelen die het beheer van trustkantoren aanscherpen. Trustkantoren zullen kosten moeten maken om gevolg te geven aan de naleving van de nieuwe regels en zullen meer ‘inspanningen’ moeten verrichten om de juiste ‘resultaten’ te boeken op toezichtgebied!