Hidde Bruinsma: Je kunt dus ook bij mij komen logeren in m’n virtuele huis. Als iemand zegt: ik wil een maand blijven, dan bouw je daar een kamer voor. Dat was de belofte van de digitale stad in 1994. In die tijd werd internet nog nauwelijks gebruikt. Waren jullie eigenlijk al verder dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten?
Marleen Stikker: In 1993 stond internet echt nog in de kinderschoenen. In Nederland hadden misschien zo’n 300 mensen toegang. Tegelijkertijd ontstond er een beweging van mensen die zelf media wilden maken en niet langer afhankelijk wilden zijn van traditionele kanalen. Dat zag je bijvoorbeeld bij initiatieven zoals Salto, waar mensen hun eigen radio en televisie maakten. Voor mij werd internet concreet tijdens de oorlog in Joegoslavië. Dat was eigenlijk de enige manier om contact te houden. Toen dacht ik: dit moet voor veel meer mensen beschikbaar worden.
Hidde Bruinsma: En toen ontstond het idee voor de digitale stad?
Marleen Stikker: Ja, in de zomer van 1993 zijn we met verschillende mensen gaan nadenken over hoe we internet toegankelijk konden maken. We zochten een vorm die mensen begrepen. Daarom kozen we voor de metafoor van een stad: een plek waar je kunt wonen, elkaar ontmoeten en informatie kunt delen.
We combineerden eigenlijk drie werelden: de hackerscultuur, het ontwerpdenken en de opkomst van nieuwe media. Het doel was om technologie niet alleen beschikbaar te maken, maar ook begrijpelijk en bruikbaar.
Hidde Bruinsma: Waren er toen al regels voor wat wel en niet mocht op internet?
Marleen Stikker: Die discussies begonnen eigenlijk meteen. De vraag was: is dit een uitgever, of is het puur een doorgeefluik zoals telecom? Daarnaast speelden kwesties rondom privacy, aansprakelijkheid en content.
In het eerste jaar kregen we al te maken met rechtszaken over discriminatie, auteursrechten en zelfs illegale content. Dus het idee dat internet toen een soort ongereguleerde vrijplaats was, klopt niet helemaal. Die spanningen waren er vanaf het begin.
Reny Stark: Wat interessant is, is dat die discussies eigenlijk nooit zijn verdwenen. Alleen zijn ze nu verplaatst naar nieuwe technologieën zoals AI. De kernvragen blijven hetzelfde: wie is verantwoordelijk, hoe bescherm je gebruikers, en hoe zorg je voor een goede balans tussen innovatie en regulering?
Hidde Bruinsma: Zie je dat ook terug in de praktijk van vandaag?
Reny Stark: Zeker. Met de komst van de AI Act wordt van bedrijven verwacht dat ze hun medewerkers bewust maken over AI en de risico’s daarvan. Veel organisaties zijn daar nog niet voldoende op voorbereid.
Het gaat niet alleen om het voldoen aan wetgeving, maar vooral om bewustwording. Bedrijven moeten begrijpen wat ze doen als ze AI inzetten, welke data ze gebruiken en welke risico’s dat met zich meebrengt.
Hidde Bruinsma: Marleen, hoe kijk jij naar die snelle ontwikkeling van technologie?
Marleen Stikker: We zitten nu in een fase waarin technologie zich extreem snel ontwikkelt, terwijl we onvoldoende nadenken over de impact. Denk aan het enorme energieverbruik van AI en de afhankelijkheid van grote techbedrijven. “Wetgeving loopt altijd achter op technologie, maar dat betekent niet dat je kunt wachten.” “We wilden technologie openen en toegankelijk maken voor iedereen, niet alleen voor experts.”
Er wordt vaak gesproken over innovatie, maar we moeten ons ook afvragen: wat hebben we echt nodig? En wat zijn de gevolgen op de lange termijn — zowel economisch als maatschappelijk?
Hidde Bruinsma: Europa probeert daar met regelgeving op te sturen. Werkt dat?
Reny Stark: Regelgeving zoals de AVG en de AI Act wordt vaak gezien als een beperking, maar het kan juist een kans zijn. Als je compliant bent, creëer je vertrouwen en onderscheid je je in de markt. Het dwingt bedrijven om bewuster om te gaan met data en technologie, en dat kan uiteindelijk een concurrentievoordeel opleveren.
Marleen Stikker: Precies. Regulering opent ook nieuwe markten. Het maakt het mogelijk om Europese alternatieven te ontwikkelen en minder afhankelijk te zijn van grote internationale spelers. We moeten technologie niet alleen zien als iets economisch, maar ook als een onderdeel van onze publieke infrastructuur.
Hidde Bruinsma: Wat betekent dat concreet voor bedrijven?
Reny Stark: Dat ze niet blind moeten meegaan in de hype. AI wordt soms als een soort wondermiddel gezien, maar kan ook een risico zijn. Het is in zekere zin een ‘paard van Troje’: je haalt technologie binnen zonder altijd precies te weten wat de gevolgen zijn. Bedrijven moeten zich afvragen: waar staat mijn data, wie heeft er toegang toe, en hoe wordt die gebruikt? Dat vraagt om duidelijke richtlijnen en bewustwording binnen de organisatie.
Hidde Bruinsma: En hoe kijk je naar de rol van bestuurders? Reny Stark: Bestuurders hoeven geen tech-experts te zijn, maar ze moeten wel de juiste vragen kunnen stellen. Zonder basiskennis is dat lastig. Je ziet dat onderwerpen als AI en cybersecurity steeds vaker op de agenda van de boardroom staan, maar er is nog veel te winnen op het gebied van kennis en begrip.
Marleen Stikker: Technologie is niet neutraal. Het weerspiegelt keuzes en waarden. Daarom is het belangrijk dat we eerst begrijpen wat we doen, voordat we op grote schaal implementeren. We hoeven niet te stoppen met innovatie, maar we moeten wel bewuster en zorgvuldiger handelen. Misschien zelfs een beetje vertragen om daarna beter te kunnen versnellen.
Hidde Bruinsma: Dat brengt ons aan het einde van deze aflevering van Amsterdamse Handelsgeest. Veel dank aan mijn gasten Marleen Stikker en Reny Stark. Volg ons voor meer afleveringen waarin we de geschiedenis en toekomst van Amsterdam verkennen. Tot de volgende keer!
Benieuwd naar de andere afleveringen van de Amsterdamse Handelsgeest? Klik dan hier.