De belangrijkste wijzigingen onder de Omnibus
Het Europese Parlement heeft ingestemd met een verdere afzwakking van de Europese duurzaamheidsregelgeving door goedkeuring van het Omnibus-pakket. Met de Omnibus beoogt de EU de administratieve lasten te verlichten en de concurrentiepositie van Europese bedrijven te versterken ten opzichte van bedrijven uit onder meer de Verenigde Staten en China, waar minder strenge duurzaamheidsregels gelden. De Omnibus schuift implementatiedeadlines verder op en beperkt de reikwijdte van zowel de rapportageverplichtingen als de zorgplicht. Hierdoor krijgen ondernemingen meer tijd om aan de regelgeving te voldoen en hoeven zij minder uitgebreid te rapporteren over hun volledige waardeketen.
Hieronder wordt voor zowel de CSRD als de CSDDD kort uiteengezet welke wijzigingen de Omnibus met zich meebrengt.
De CSRD
Onder de Omnibus geldt de CSRD voortaan alleen nog voor ondernemingen met meer dan 1000 werknemers en een jaarlijkse omzet van meer dan 450 miljoen euro per jaar. Naar schatting wordt hierdoor circa 90% van de ondernemingen vrijgesteld van de verplichtingen tot duurzaamheidsrapportage. Ondernemingen die nog wel onder de CSRD vallen, hoeven aanzienlijk minder gegevens te verzamelen (60-70% minder datapunten) en mogen zich beperken tot informatie die relevant is voor investeerders. Hoewel de accountantscontrole blijft bestaan, voorziet de Omnibus in flexibelere richtlijnen om de controlekosten te beperken.
Ondernemingen die reeds rapporteren onder de CSRD (“wave one”-ondernemingen), maar op grond van de herziene criteria buiten de reikwijdte vallen, blijven rapportageplichtig tot en met het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2027, tenzij de betrokken lidstaat hen vrijstelt. Daarnaast introduceert de Omnibus een strikt afgebakende vrijstelling voor financiële holdingondernemingen die uitsluitend participaties houden en beheren zonder bestuurlijke betrokkenheid bij de onderliggende ondernemingen, mits hun dochterondernemingen onderling onafhankelijk opereren. Verder geldt een informatieplafond voor gegevens die binnen de waardeketen worden opgevraagd. Ondernemingen met minder dan 1000 werknemers (“beschermde ondernemingen”) kunnen weigeren informatie te verstrekken die verder gaat dan de vrijwillige duurzaamheidsrapportagestandaarden (VSME) voor kleine en middelgrote ondernemingen (“kmo’s”). CSRD-plichtige ondernemingen moeten deze beschermde ondernemingen identificeren en aangeven of het informatieplafond wordt overschreden; niet-conforme contractuele bepalingen kunnen nietig zijn. Bij deze identificatie mogen zij vertrouwen op een zelfverklaring van ondernemingen, tenzij deze kennelijk onjuist is.
Indien ondernemingen niet alle vereiste informatie uit hun waardeketen kunnen verkrijgen, mogen zij gedurende de eerst drie rapportagejaren toelichten waarom dit niet is gelukt en hoe zij voornemens zijn de informatie alsnog te verkrijgen. Na deze periode moet aan de rapportageverplichtingen worden voldaan, hetzij op basis van rechtstreekse informatie uit de waardeketen, hetzij via schattingen. Waar informatie niet kan worden verkregen van entiteiten die zich op het informatieplafond in de waardeketen beroepen, zal rapportage via schattingen noodzakelijk zijn. Daarnaast kunnen ondernemingen onder voorwaarden gebruikmaken van aanvullende informatie-uitzonderingen, onder meer wanneer openbaarmaking de commerciële positie ernstig zou schaden, betrekking heeft op geclassificeerde informatie, of moet worden beperkt op grond van EU- of nationale wetgeving of ter bescherming van privacy of veiligheid. Moedervennootschappen mogen tot slot informatie uitsluiten over dochters die in de loop van het boekjaar zijn overgenomen, gefuseerd of ontbonden, mits zij een melding maken van significante gebeurtenissen die gevolgen hebben voor duurzaamheidsgerelateerde risico’s, effecten of kansen van de groep.
De bevoegdheid van de Commissie om sectorspecifieke rapportagestandaarden vast te stellen is vervallen. In plaats daarvan kan de Commissie sectorspecifieke richtsnoeren uitbrengen voor de toepassing van de ESRS, waaronder aanwijzingen voor het identificeren van sectorspecifieke materiele duurzaamheidskwesties. Deze richtsnoeren worden opgesteld op basis van de behoefte van rapporterende ondernemingen, in overleg met stakeholders en met inachtneming van internationale standaarden.
De CSDDD
De omzetting van de CSDDD is met één jaar uitgesteld. Ondernemingen moeten hierdoor vanaf 26 juli 2029 aan de CSDDD voldoen en uiterlijk 1 januari 2030 de vereiste openbaarmakingen publiceren. Daarnaast wordt de reikwijdte van de richtlijn aanzienlijk beperkt: de CSDDD geldt voortaan alleen voor ondernemingen met meer dan 5000 werknemers en een jaarlijkse omzet van meer dan 1,5 miljard euro, in plaats van de eerdere drempels van 1000 werknemers en 450 miljoen omzet. Hierdoor valt het overgrote merendeel van de bedrijven buiten de reikwijdte van de CSDDD.
Ook de zorgplicht wordt afgezwakt. Ondernemingen zijn niet langer verplicht een klimaattransitieplan op te stellen en worden beperkt in hun mogelijkheid om informatie op te vragen bij hun zakenpartners. De risico-gebaseerde due-dilligence benadering blijft echter van kracht, zij het met nadere verduidelijkingen. Ondernemingen moeten op basis van redelijkerwijs beschikbare informatie eerst een scoping uitvoeren om gebieden binnen hun activiteitenketen te identificeren waar negatieve effecten het meest waarschijnlijk en ernstig zijn. Vervolgens dient in deze gebieden een diepgaande beoordeling plaats te vinden, waarbij prioriteit mag worden geven aan directe zakenpartners wanneer risico’s vergelijkbaar zijn.
Ondernemingen mogen in beginsel geen informatie meer opvragen bij zakenpartners met minder dan 5000 werknemers, tenzij dit noodzakelijk is en de informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen. Hierdoor worden ondernemingen aangemoedigd om vooral te vertrouwen op redelijkerwijs beschikbare informatie, in plaats van systematisch informatie op te vragen bij kleinere entiteiten in de waardeketen. Daarnaast zijn bepalingen over EU-brede harmonisatie van civiele aansprakelijkheid geschrapt, waaronder de mogelijkheid voor vakbonden of NGO’s om namens gedupeerden vorderingen in te stellen.
Tot slot is een vaste bovengrens voor sancties ingevoerd, waardoor boetes nu maximaal 3% van de wereldwijde omzet van een onderneming bedragen, in plaats van het eerdere minimummaximum van 5% onder de CSDDD.
De Omnibus is een van de grootste herzieningen van de EU-wetgeving in jaren en wordt door veel bedrijven als noodzakelijk gezien. Ze verduidelijkt regels voor grote ondernemingen, vermindert dure rapportageverplichtingen en biedt kmo’s bescherming. Tegelijkertijd roept de Omnibus de vraag op hoe Europa concurrerend kan blijven zonder sociale normen en de groene transitie te ondermijnen. Bedrijven die zich voorbereiden op de naleving van de CSDDD en de CSRD krijgen opnieuw te maken met veranderende deadlines, procedurele onduidelijkheid en verzwakte standaarden.
Voor vragen over ESG of de impact van de Omnibus op uw onderneming kunt u gerust contact opnemen met Stephanie ter Brake en Rohied Mahboeb.