Lexence

Hoge Raad zet streep door transitievergoeding vanwege salarisverlaging

Vanwege de huidige economische malaise overwegen veel werkgevers momenteel verschillende kostenverlagende maatregelen, waaronder ook (tijdelijke) verlaging van salarissen en/of de arbeidsduur. De eventuele verschuldigdheid van een (gedeeltelijke) transitievergoeding dient daarbij wel in ogenschouw te worden genomen. In zijn zogeheten ‘Kolom’-beschikking van september 2018 heeft de Hoge Raad namelijk bepaald dat een werknemer wiens arbeidsduur substantieel en structureel verminderd wordt, onder omstandigheden aanspraak kan maken op een gedeeltelijke transitievergoeding (HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1617). Op vrijdag 17 april jl. heeft de Hoge Raad in dit kader nieuwe gezichtspunten verstrekt in een prejudiciële beslissing. (HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:749).

Contactpersonen Lucas Stuurop, Nino Solisa
Expertise Arbeidsrecht
Leestijd 3 min leestijd
Gedeeltelijke transitievergoeding bij vermindering van de arbeidsduur

Een gedeeltelijke transitievergoeding kan verschuldigd raken in bijzondere gevallen, waarbij de omstandigheden de werknemer dwingen om minder uren te gaan werken, zoals blijvende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid of bedrijfseconomische redenen van de werkgever. Daarnaast moet er sprake zijn van een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd. Dit is het geval indien i) de werknemer 20% of meer van zijn arbeidstijd verliest en ii) deze vermindering naar verwachting blijvend zal zijn (HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1617).

Het toekennen van een gedeeltelijke transitievergoeding voorkomt dat de werknemer een deel van de transitievergoeding zou mislopen waarop hij bij een algehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst op dat moment aanspraak zou hebben. Als de arbeidsovereenkomst beëindigd zou worden nadat de arbeidsduur is verminderd, zou de transitievergoeding immers op een aanmerkelijk lagere grondslag gebaseerd worden dan zonder die vermindering het geval zou zijn geweest, aldus de Hoge Raad.

De Kolom-beschikking riep de nodige vragen op, zoals onder welke andere dan de door de Hoge Raad genoemde omstandigheden een gedeeltelijke transitievergoeding verschuldigd zou zijn, en of de gedeeltelijke transitievergoeding ook verschuldigd zou wanneer de werknemer door een combinatie van arbeidstijdvermindering en een salarisvermindering meer dan 20% van zijn inkomen verliest (Zie bijvoorbeeld B. Barentsen en S.F. Sagel, ‘Kroniek van het sociaal recht’, NJB 2018/35, p. 2708; V. Bij de Vaate en D. Pinedo, ‘De pro rato transitievergoeding bij gedeeltelijk ontslag: de Hoge Raad gaat ‘off-road’, Tijdschrift voor Ontslagrecht 2019, p. 10-16; E. Verhulp in T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:673 BW, aant. 2).

Is een gedeeltelijke transitievergoeding ook verschuldigd bij een salarisverlaging?

In zijn prejudiciële beslissing van 17 april 2020 beantwoordde de Hoge Raad laatstgenoemde vraag. Het ging in die zaak over een werkneemster die na langdurige arbeidsongeschiktheid is herplaatst in een lager betaalde functie. Meer specifiek betrof het een lerares die na 2,5 jaar arbeidsongeschiktheid herplaatst werd als onderwijsassistente. Naast het feit dat de werkneemster deze nieuwe functie slechts parttime kon uitoefenen (80%), bevond de functie zich ook in een lagere loonschaal, waardoor het inkomen van de werkneemster bijna gehalveerd werd.

Met oog op de Kolom-beschikking oordeelde het Hof Amsterdam dat de werkneemster in ieder geval recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding voor de vermindering van haar arbeidsduur met twintig procent. Het Hof wendde zich vervolgens tot de Hoge Raad met de vraag of werkneemster in het verlengde daarvan ook aanspraak kon maken op een transitievergoeding vanwege het grote verschil in salaris (Hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3717).

De Hoge Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Hij overweegt hierbij dat herplaatsing in een andere passende functie (zonder urenverlies) geen vorm van beëindiging is, zodat er geen grond bestaat voor toekenning van een transitievergoeding. Een dergelijke herplaatsing wordt juist gezien als een (in beginsel voorgeschreven) weg om een beëindiging te voorkomen (de herplaatsingsplicht van art. 7:669 BW) (HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:749).

Dat de werknemer in gevallen zoals in de Kolom-beschikking recht kan hebben op een transitievergoeding naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidsduur, past volgens de Hoge Raad binnen de systematiek van de – op verlies van werk (ontslag) gebaseerde – wettelijke regeling van de transitievergoeding. Die wettelijke regeling is echter niet bedoeld om een vergoeding aan de werknemer toe te kennen voor verlies van inkomen om andere redenen, aldus de Hoge Raad.

Kort en goed: een structurele vermindering van uren van minimaal 20% leidt tot een gedeeltelijke transitievergoeding. Een structurele verlaging van het salaris niet.

De in de Kolom-beschikking geformuleerde eis van 20% urenvermindering vormt een harde ondergrens. Dit betekent dat er bij een inkomensdaling van meer dan twintig procent, veroorzaakt door de combinatie van een vermindering van uren van minder dan twintig procent met een salarisverlaging, geen aanspraak op een transitievergoeding bestaat.

Let op bij tijdelijke maatregelen i.h.k.v. economische omstandigheden

Bij een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur is het gelet op de Kolom-beschikking van belang om de tijdelijkheid van de maatregel duidelijk vast te leggen; bij een structurele vermindering van de arbeidsduur zou immers een gedeeltelijke transitievergoeding verschuldigd kunnen zijn. Bij een salarisverlaging is dit op zichzelf niet aan de orde, zo blijkt uit de hierboven besproken prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 17 april jl.

Vragen? Neem dan contact met ons op. Wij assisteren u graag.