DE VESTIGINGSWET EN DE GEVESTIGDE BELANGEN

Sinds de invoering van de vestigingswetgeving in de jaren dertig heeft zich een constante en bestendige privaatrechtelijke jurisprudentie ontwikkeld over de vraag of een ondernemer, die zijn bedrijf uitoefent zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vestigingsvergunning, onrechtmatig handelt jegens zijn vakgenoten die wel over zo’n vergunning beschikken. Inmiddels zijn wij vele jaren verder en is de vestigingswetgeving in het kader van de deregulering flink uitgekleed en in sommige sectoren zelfs geheel niet meer van toepassing. Een van de laatste ‘bolwerken’ waar de wet nog wel van toepassing is, zij het in afgeslankte vorm, is de bouw. Het is immers verboden zonder vestigingsvergunning het bouwbedrijf uit te oefenen. De vragen rond de vestigingsvergunningplicht zijn van belang nu veel, voorheen in dienstverband bij een gevestigde aannemer werkzame ambachtslieden, zoals timmerlieden en metselaars, al dan niet op instigatie van hun werkgever hebben gekozen voor het zelfstandig ondernemerschap in de vorm van een eenmansbedrijf. Zij gaan aan de slag als ZZP-er: zelfstandige zonder personeel. Sommigen blijven actief op het gebied van hun specifieke ambacht maar anderen begeven zich op breder terrein en presenteren zich daarbij als ‘klussenbedrijf’. In dit artikel komt de vraag aan de orde of en in hoeverre de aanpassingen die in verleden aan de Vestigingswet Bedrijven 1954 en het vestigingsbesluit bedrijven hebben plaatsgevonden ook consequenties hebben voor de hiervoor geschetste onrechtmatige bedrijfsuitoefening. Bespreking geschiedt aan de hand van een drietal zeer recente arresten van het Hof Leeuwarden en het Hof Den Bosch.