Op 22 april jl. heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem een uitspraak gedaan, die afbreuk lijkt te doen aan de bruikbaarheid van een vrijstelling die op grond van artikel 19 lid 1 of 2 van de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is verleend voor een project. Met ingang van 1 juli 2008 is deze wet vervangen door de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro).
De casus
De casus was in het kort als volgt:
In maart 2008, dus nog onder de oude WRO, hadden B&W van Zaltbommel een vrijstelling verleend op grond van artikel 19 lid 2 WRO. Vervolgens werd op basis van een bouwaanvraag van 1 december 2008 en met gebruikmaking van die vrijstelling op 1 april 2009 een bouwvergunning verleend voor de bouw van woningen en appartementen. De bouwaanvraag en bouwvergunning dateerden dus van na 1 juli 2008 en vielen daarmee onder de nieuwe Wro. Niet ter discussie stond dat het project in strijd was met het vigerende bestemmingsplan.
Volgens de voorzieningenrechter kan een met een bestemmingsplan strijdige situatie onder de nieuwe Wro echter slechts worden weggenomen door een op grond van die wet genomen ontheffing of projectbesluit. Het eveneens per 1 juli 2008 gewijzigde artikel 46, derde lid, van de Woningwet geeft volgens de Voorzieningenrechter ook aan dat de aanvraag om bouwvergunning tevens moet worden aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing dan wel een projectbesluit als bedoeld in de Wro.
Volgens de voorzieningenrechter biedt een vrijstelling op grond van de oude WRO in dit geval dus geen soelaas, omdat sprake is van een bouwaanvraag van na 1 juli 2008. De verleende vrijstelling heeft – nu daarvan niet tijdig gebruik is gemaakt - zijn werking verloren. Daarbij is van belang dat de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening een vrijstelling ex artikel 19 lid 1 of lid 2, van de WRO niet met een ontheffing gelijkstelt, terwijl dat wel het geval is bij een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 en 19, lid 3, van de WRO.
Vergaande consequenties
Indien dit oordeel stand houdt, zou het vergaande consequenties kunnen hebben. Op dit moment zullen er immers nog talloze projecten lopen, waarvoor nog onder de oude WRO een vrijstelling ex artikel 19 lid 1 of lid 2 is verleend, maar waarvoor een bouwaanvraag na 1 juli 2008 is ingediend of misschien zelfs nog moet worden ingediend. Al die vrijstellingen zouden dan onbruikbaar zijn geworden.
Voorlopig oordeel
Het gaat echter om een voorlopig oordeel dat bovendien niet afkomstig is van de hoogste bestuursrechter. Bovendien kan er de nodige kritiek op worden geleverd. Nog los van de nogal formalistische benadering van de voorzieningenrechter is de vraag vooral of de aanname dat sprake is van een met het bestemmingsplan strijdige situatie wel juist is. Gesteld zou kunnen worden dat voor het voorgenomen bouwen (het project) al een vrijstelling is verleend en dat die vrijstelling blijkens de toelichting op de Invoeringswet Wro ook onder de nieuwe wet rechtsgeldig blijft. Van strijdigheid met het bestemmingsplan is dan helemaal geen sprake. Het gevolg van deze uitleg zou zijn dat niet wordt toegekomen aan artikel 46 lid 3 Woningwet en dat het project met gebruikmaking van de bestaande vrijstelling kan worden gerealiseerd.
Michael Klijnstra is partner in het team Ruimtelijke Ordening en Milieu. Mocht u vragen hebben, aarzel dan niet contact met hem op te nemen, klik hier voor zijn contactgegevens.
< Terug





