Verboden te vissen, maar vragen mag; art. 843a Rv in de ondernemingsrechtpraktijk

5 mei 2009
 

Sinds de herziening van het burgerlijk procesrecht per 1 januari 2002, staat waarheidsvinding op de agenda in ons civiele procesrecht. Bij die gelegenheid werden procespartijen, al dan niet op last van de rechter, voortaan verplicht de voor een beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art.21 en 22 Rv), specifieke opgave te doe van hun bewijsmiddelen (art. 111 en 128 Rv) en werd de reikwijdte van art. 843a Rv verruimd, waarmee de mogelijkheden om een partij tot afgifte van bepaalde bescheiden te bewegen aanzienlijk zijn vergroot.

 

Nu Fact finding en bewijslevering het verschil tussen winst en verlies in civiele procedures kunnen maken, mag artikel 843a Rv zich sinds 2002 in een tot dan ongekende populariteit verheugen, met een stroom van, vooral lagere, rechtspraak tot gevolg. Deze rechtspraak kenmerkt zich door een welwillende houding van rechters ten aanzien van het verstrekken van afschrift en inzage, voor zover zij van het rechtmatig belang van de verzoeker zijn overtuigd.

 

In het hierbij gevoegde artikel bespreekt Timo Jansen de voorwaarden waaronder op grond van art. 843a Rv inzage of afschrift van bepaalde bescheiden kan worden afgedwongen, waarbij ik mij vooral concentreer op de ondernemingsrechtpraktijk.