De ontbindingsvergoeding tijdens ouderschapsverlof

8 mei 2014
 
​Werknemers hebben op grond van de Wet Arbeid en Zorg recht op ouderschapsverlof. Hoewel dit recht duidelijk in de wet is vastgelegd, leidt een verzoek tot ouderschapsverlof vaak tot discussie tussen de werkgever en werknemer. Partijen hebben vaak botsende belangen als het aankomt op de invulling van dit verlof. Soms raken de verhoudingen hierdoor dusdanig verstoord dat gestreefd wordt naar een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
 
Vergoeding
Een kantonrechter kan het ontbindingsverzoek afwijzen in verband met het opzegverbod (artikel 7:670 lid 7 BW). Indien de verhoudingen echter dusdanig zijn verstoord dat het voortduren van de arbeidsovereenkomst illusionair is geworden, gaat de kantonrechter vaak tot ontbinding over, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer. Er bestaat soms onduidelijkheid over welk salaris als uitgangspunt dient te gelden bij de berekening van de hoogte van de vergoeding. Is dit het laatst verdiende salaris of het salaris van vóór het ouderschapsverlof?
 
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 17 april 2013 dat, op grond van de doelstelling van het Europese recht, het salaris voorafgaand aan het ouderschapsverlof als uitgangspunt dient te worden genomen bij de berekening van de ontslagvergoeding. De rechter baseerde zich op Richtlijn 97/75/EG en een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 22 oktober 2009.
 
Prejudiciële vraag
In een recente zaak voor de Belgische rechtbank nam de werkneemster na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof tevens ouderschapsverlof op.  Aan het begin van het ouderschapsverlof beëindigde de werkgever de arbeidsovereenkomst. De rechter in eerste aanleg veroordeelde de werkgever tot het betalen van een forfaitaire beschermingsvergoeding. Op grond van Belgisch recht dient elke werkgever die zonder een dringende of een voldoende reden een arbeidsovereenkomst beëindigt, aan de werknemer een beschermingsvergoeding te betalen die gelijk is aan zes maanden loon. In hoger beroep stelde het Arbeidshof te Antwerpen een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie over de basis voor de vaststelling van de vergoeding. Moest er worden uitgegaan van het loon dat de werkneemster verdiende op basis van een fulltime dienstverband of haar loon gedurende het ouderschapsverlof?
 
Het Hof van Justitie oordeelde op 27 februari 2014 dat de Belgische forfaitaire beschermingsvergoeding een maatregel vormt die werknemers kan beschermen tegen onwettig ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof. Deze beschermingsmaatregel zou, aldus het Hof, haar nuttige werking grotendeels verliezen indien de vergoeding niet werd vastgesteld op basis van het loon voor een voltijdse arbeidsbetrekking, maar op basis van het verminderde loon dat tijdens een deeltijds ouderschapsverlof is betaald. Op deze manier zou de bij Unierecht ingevoerde beschermingsregeling gedeeltelijk worden uitgehold.
 
Conclusie
Door de recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie lijkt de discussie over de grondslag voor het berekenen van de ontbindingsvergoeding tijdens ouderschapsverlof definitief te zijn beslecht. Bij de berekening van de kantonrechtersformule dient uit te worden gegaan van het volledige salaris van de werknemer.