Bestuurdersaansprakelijkheid krijgt strafrechtelijke pendant in faillissement

30 september 2015
 

De in 2013 geleden maatschappelijke schade als gevolg van faillissementsfraude wordt geschat op € 1,28 miljard. Het Openbaar Ministerie (OM) zegt daarom fraude actiever te zullen vervolgen. In het kader van fraudebestrijding heeft de Tweede Kamer recentelijk op 23 juni 2015 de wetsvoorstellen inzake het Civielrechtelijk bestuursverbod en de Herziening strafbaarstelling faillissementsfraude aangenomen. Wat betekenen deze wetsvoorstellen, die naar verwachting op 1 januari 2016 in werking treden, voor een bestuurder van een (failliete) onderneming?

 

Enkele meest in het oogspringende wijzigingen voor bestuurders van failliete ondernemingen zijn de (snellere) strafbaarstelling van:

  1. het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht (ex art. 2:10 en 3:15i BW). Daarvoor zal niet meer vereist zijn dat sprake moet van opzet op het benadelen van schuldeisers. Voor strafbaarstelling zal voldoende zijn dat de afhandeling van het faillissement wordt bemoeilijkt (vgl. art. 344b Sr);

  2. het niet terstond kunnen verstrekken aan de curator van de gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden, en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken (vgl. art. 344a Sr); en

  3. het voor de intreding van het faillissement buitensporig middelen van de rechtspersonen verbruiken, uitgeven of vervreemden, dan wel hieraan meewerken, daarvoor zijn toestemming geven of anderszins daaraan bijdragen als gevolg waarvan een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld (vgl. artt. 342 en 343 Sr).

 

 

Met deze strafrechtelijke bepalingen tracht de wetgever kennelijk (meer) aansluiting te zoeken bij civielrechtelijke grondslagen voor bestuurdersaansprakelijkheid. Het is echter maar de vraag of deze voorgestelde wijzigingen ook een effectief middel blijken tegen faillissementsfraude. De praktijk leert vooralsnog dat het OM regelmatig zelfs evidente en omvangrijke fraudekwesties niet oppakt, dit veelal met een beroep op het opportuniteitsbeginsel. Betwijfeld kan daarom worden of het OM overtreding van voornoemde bepalingen wél zal vervolgen. Daar zal een aanvullende taak voor de curator komen te liggen. Zo zal de curator verplicht melding bij de rechter-commissaris moeten maken van onregelmatigheden. Bij gebrek aan baten in menig faillissementsboedel, zal hij daar naar verwachting niet altijd toe genegen zijn of in kunnen slagen.

 

 

Om voornoemde redenen worden fraudekwesties dan ook steeds vaker aan de civiele rechter voorgelegd. Voor vragen op het gebied van fraude en asset tracing & recovery neem contact op met Wesley Vader.